Information du mot gokken (néerlandais → espéranto: vetludi)

Parti du discoursverbe
Prononciation/ˈɣokə(n)/
Césuregok·ken

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) gok(ik) gokte
(jij) gokt(jij) gokte
(hij) gokt(hij) gokte
(wij) gokken(wij) gokten
(jullie) gokken(jullie) gokten
(gij) gokt(gij) goktet
(zij) gokken(zij) gokten
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) gokke(dat ik) gokte
(dat jij) gokke(dat jij) gokte
(dat hij) gokke(dat hij) gokte
(dat wij) gokken(dat wij) gokten
(dat jullie) gokken(dat jullie) gokten
(dat gij) gokket(dat gij) goktet
(dat zij) gokken(dat zij) gokten
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
gokgokt
Participes
Participe présentParticipe passé
gokkend, gokkende(hebben) gegokt

Exemples d’usage

In de hoek van de gelagkamer waren ze aan het gokken.
Heb je zitten gokken met mijn geld?
Wisten ook de andere leden van het groepje dat Pieter gokte?
Hij gokte, is het niet?

Traductions

anglaisgamble
espérantovetludi