Information du mot gaan (néerlandais → espéranto: iri)

Synonymes: zich begeven, varen

Parti du discoursverbe
Prononciation/ɣan/
Césuregaan

Conjugaison

Indicatif
PrésentPassé
(ik) ga(ik) ging
(jij) gaat(jij) ging
(hij) gaat(hij) ging
(wij) gaan(wij) gingen
(jullie) gaan(jullie) gingen
(gij) gaat(gij) gingt
(zij) gaan(zij) gingen
Subjonctif
PrésentPassé
(dat ik) ga(dat ik) ginge
(dat jij) ga(dat jij) ginge
(dat hij) ga(dat hij) ginge
(dat wij) gaan(dat wij) gingen
(dat jullie) gaan(dat jullie) gingen
(dat gij) gaat(dat gij) ginget
(dat zij) gaan(dat zij) gingen
Impératif
Singulier/PlurielPluriel
gagaat
Participes
Participe présentParticipe passé
gaand, gaande(zijn) gegaan

Exemples d’usage

Hij ging naar de eetzaal van het hotel en nam plaats aan de hoek van een tafel.
Er zijn heel wat redenen waarom mensen met sommige klachten liever niet naar de dokter gaan.

Traductions

afrikaansgaan
anglaisgo
créole jamaïcaingo
espérantoiri
françaisaller
galloismynd
papiamentobai
scotsgang