Informo pri la vorto verbrijzelen (nederlanda → esperanto: frakasi)

Sinonimoj: intrappen, vermorzelen, verpletteren

Vortspecoverbo
Prononco/vərˈbrɛɪ̯zəlt/
Dividover·brij·ze·len

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) verbrijzel(ik) verbrijzelde
(jij) verbrijzelt(jij) verbrijzelde
(hij) verbrijzelt(hij) verbrijzelde
(wij) verbrijzelen(wij) verbrijzelden
(jullie) verbrijzelen(jullie) verbrijzelden
(gij) verbrijzelt(gij) verbrijzeldet
(zij) verbrijzelen(zij) verbrijzelden
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) verbrijzele(dat ik) verbrijzelde
(dat jij) verbrijzele(dat jij) verbrijzelde
(dat hij) verbrijzele(dat hij) verbrijzelde
(dat wij) verbrijzelen(dat wij) verbrijzelden
(dat jullie) verbrijzelen(dat jullie) verbrijzelden
(dat gij) verbrijzelet(dat gij) verbrijzeldet
(dat zij) verbrijzelen(dat zij) verbrijzelden
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
verbrijzelverbrijzelt
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
verbrijzelend, verbrijzelende(hebben) verbrijzeld

Uzekzemploj

De schokken verbrijzelden alle ramen.
Naar de kantelen, of ik zal jullie botten met deze knuppel verbrijzelen!
Met verbrijzeld hoofd zakte de man in elkaar.

Tradukoj

anglashatter; smash
danaknuse
esperantofrakasi
feroaknúsa; sora; smildra
finnamurskata
francabriser; fracasser; réduire en miettes
germanazermalmen; zerschmettern; zertrümmern
katalunadestroçar; destruir; trencar
portugalabritar; esmagar; quebrar
saterlanda frizonain Gruus slo; kuutbreeke
surinamamasi
svedakrossa
hispanaquebrantar; romper con estrépito