Informo pri la vorto roepen (nederlanda → esperanto: elvoki)

Sinonimoj: naar buiten roepen, ten gevolge hebben, uitlokken, uitdagen, oproepen, leiden tot

Vortspecoverbo
Prononco/ˈrupə(n)/
Dividoroe·pen

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) roep(ik) riep
(jij) roept(jij) riep
(hij) roept(hij) riep
(wij) roepen(wij) riepen
(jullie) roepen(jullie) riepen
(gij) roept(gij) riept
(zij) roepen(zij) riepen
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) roepe(dat ik) riepe
(dat jij) roepe(dat jij) riepe
(dat hij) roepe(dat hij) riepe
(dat wij) roepen(dat wij) riepen
(dat jullie) roepen(dat jullie) riepen
(dat gij) roepet(dat gij) riepet
(dat zij) roepen(dat zij) riepen
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
roeproept
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
roepend, roepende(hebben) geroepen

Tradukoj

anglacall
esperantoelvoki
francarappeler
germanaherausfordern; hervorrufen
katalunaevocar
papiamentosklama
portugalaevocar
saterlanda frizonahääruutfoarderje; hääruutfräigje
hispanaevocar