Informo pri la vorto rekenen (nederlanda → esperanto: kalkuli)

Sinonimoj: calculeren, berekenen, uitrekenen, becijferen

Vortspecoverbo
Prononco/ˈrekənə(n)/
Dividore·ke·nen

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) reken(ik) rekende
(jij) rekent(jij) rekende
(hij) rekent(hij) rekende
(wij) rekenen(wij) rekenden
(jullie) rekenen(jullie) rekenden
(gij) rekent(gij) rekendet
(zij) rekenen(zij) rekenden
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) rekene(dat ik) rekende
(dat jij) rekene(dat jij) rekende
(dat hij) rekene(dat hij) rekende
(dat wij) rekenen(dat wij) rekenden
(dat jullie) rekenen(dat jullie) rekenden
(dat gij) rekenet(dat gij) rekendet
(dat zij) rekenen(dat zij) rekenden
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
rekenrekent
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
rekenend, rekenende(hebben) gerekend

Uzekzemploj

Haar bezwaar tegen Sheafasé was niet dat hij het aan de interstellaire smokkelbende verkocht maar dat hij haar er te veel voor rekende.

Tradukoj

anglacalculate; charge
cehapočítat
danaberegne; kalkulere
esperantokalkuli
finnalaskea
francacalculer; compter
germanaerachten; kalkulieren; berechnen; zählen; ausrechnen; mitzählen; überschlagen; veranschlagen
islandareikna
italacalcolare
katalunacalcular; comptar
latinocalculare
norvegaregne
okcidenta frizonaberekkenje; besiferje; rekkenje
papiamentokalkulá; rek
polaliczyć
portugalacalcular; computar; orçar
saterlanda frizonakalkulierej; reekenje; bereekenje
svedaberäkna; uträkna
hispanacalcular; contar