Informo pri la vorto spreken (nederlanda → esperanto: diri)

Sinonimoj: zeggen, opgeven, vertellen

Vortspecoverbo
Prononco/ˈsprekə(n)/
Dividospre·ken

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) spreek(ik) sprak
(jij) spreekt(jij) sprak
(hij) spreekt(hij) sprak
(wij) spreken(wij) spraken
(jullie) spreken(jullie) spraken
(gij) spreekt(gij) spraakt
(zij) spreken(zij) spraken
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) spreke(dat ik) sprake
(dat jij) spreke(dat jij) sprake
(dat hij) spreke(dat hij) sprake
(dat wij) spreken(dat wij) spraken
(dat jullie) spreken(dat jullie) spraken
(dat gij) spreket(dat gij) spraket
(dat zij) spreken(dat zij) spraken
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
spreekspreekt
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
sprekend, sprekende(hebben) gesproken

Uzekzemploj

„We hebben gasten, Joost”, sprak hij.
„Ge gaat te ver”, sprak de markies.

Tradukoj

afrikanso; vertel
anglasay
esperantodiri
francadire
germanasagen
jamajka-kreolase; tel
kimrameddai; dweud
okcidenta frizonasizze
papiamentobisa
rusaговорить
skotatell
svahilo‐sema
hispanadecir