Informo pri la vorto leren (nederlanda → esperanto: lerni)

Vortspecoverbo
Prononco/ˈleːrə(n)/
Dividole·ren

Konjugacio

Indikativo
PrezencoPreterito
(ik) leer(ik) leerde
(jij) leert(jij) leerde
(hij) leert(hij) leerde
(wij) leren(wij) leerden
(jullie) leren(jullie) leerden
(gij) leert(gij) leerdet
(zij) leren(zij) leerden
Subjunktivo
PrezencoPreterito
(dat ik) lere(dat ik) leerde
(dat jij) lere(dat jij) leerde
(dat hij) lere(dat hij) leerde
(dat wij) leren(dat wij) leerden
(dat jullie) leren(dat jullie) leerden
(dat gij) leret(dat gij) leerdet
(dat zij) leren(dat zij) leerden
Imperativo
Singularo/PluraloPluralo
leerleert
Participoj
Prezenca participoPreterita participo
lerend, lerende(hebben) geleerd

Uzekzemploj

Dat heb ik van jou geleerd, pa.
Maar ja, misschien kan ik nog iets leren.
Probeer je eindelijk te leren zwemmen?
Vrouw, wanneer zul je eens leren je tong in bedwang te houden?
Maar overigens moet ik toegeven dat ik veel van hem heb geleerd.
Maar nu kan men leren hoe gevaarlijk het is om in zichzelf te praten.

Tradukoj

anglalearn
esperantolerni
papiamentosiña