Sinonimoj: zich aan het werk begeven, aan de slag gaan, aan het werk gaan, aan de gang gaan
| Vortspeco | nekonata parolparto |
|---|
| Divido | aan het werk tij·gen |
|---|
Cugel toog aan het werk met een energie die zelfs op Weamish indruk zou hebben gemaakt.
Axel verdween en de anderen togen aan het werk.
Deze toog vakkundig aan het werk.