Sinonimoj: gif, gift, venijn, zwadder, vergift
| Vortspeco | substantivo |
|---|
| Prononco | /vərˈɣɪf/ |
|---|
| Divido | ver·gif |
|---|
| Genro | neŭtra |
|---|
| Pluralo | vergiffen |
|---|
Hoe heeft ze het vergif in het glas kunnen doen, terwijl die twee toekeken?
Als het vergif zo snel werkte bij een dier dat erom bekend stond veel weerstand te bezitten tegen vergif, dan bestond er geen twijfel aan wat de uitwerking ervan zou zijn op een mens.
Alfred Inglethorp werd opgeroepen en ontkende het vergif gekocht te hebben.
En van vergif weet niemand zoveel af als een magiër.
Zou die oude vent vergif in de koffie gedaan hebben?
Er moet vergif aan die dolk gezeten hebben.