Sinónimos: apart, gescheiden, ter zijde, vaneen, op zichzelf
| Categoría gramatical | adverbo |
|---|
| Pronunciación | /ɑfˈsɔndərlək/ |
|---|
| Separación | af·zon·der·lijk |
|---|
De vliegdekschepen van groep 5, die in februari afzonderlijk waren gehouden, werden nu voor deze operatie opnieuw onder bevel van admiraal Nagumo gesteld, terwijl de speciale strijdmacht verder werd versterkt door twee van admiraal Kondô’s slagschepen.
De volgende dak trokken ze er afzonderlijk op uit om het hoofdkwartier sneller de gevraagde inlichtingen te kunnen geven.