Información sobre la palabra vomeren (neerlandés → Esperanto: vomi)

Sinónimos: braken, kotsen, overgeven, spugen

Categoría gramaticalverbo

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) vomeer(ik) vomeerde
(jij) vomeert(jij) vomeerde
(hij) vomeert(hij) vomeerde
(wij) vomeren(wij) vomeerden
(jullie) vomeren(jullie) vomeerden
(gij) vomeert(gij) vomeerdet
(zij) vomeren(zij) vomeerden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) vomere(dat ik) vomeerde
(dat jij) vomere(dat jij) vomeerde
(dat hij) vomere(dat hij) vomeerde
(dat wij) vomeren(dat wij) vomeerden
(dat jullie) vomeren(dat jullie) vomeerden
(dat gij) vomeret(dat gij) vomeerdet
(dat zij) vomeren(dat zij) vomeerden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
vomeervomeert
Participios
Participio presenteParticipio pasado
vomerend, vomerende(hebben) gevomeerd

Traducciones

afrikáansopbring
alemánsich brechen; sich erbrechen; sich übergeben
catalánvomitar
checozvracet
danéskaste op
españolvomitar
esperantovomi
feroésspýggja
finésoksentaa
francésrejeter; rejeter de la nourriture; rendre; vomir
frisón de Saterlandsik uurreeke; späie
frisón occidentaloerjaan; kotse
gaélico escocéssgeith
inglésvomit
islandésspýja
italianovomitare
latínvomere
luxemburguéskatzen
malayomuntah
noruegospy; kaste opp
papiamentoarohá; saka
polacowymiotować
portuguéslançar; vomitar
rusoрвать; блевать
sranan tongofomeri
suecokräkas; spy
turcokusmak
yidisברעכן; אױסברעכן