Información sobre la palabra afleggen (neerlandés → Esperanto: trairi)

Sinónimos: aflopen, doorgaan, gaan door, doorkrúísen, dóórlopen, doorváren, dóórsteken

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈɑflɛɣə(n)/
Separaciónaf·leg·gen

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) leg af(ik) legde af
(jij) legt af(jij) legde af
(hij) legt af(hij) legde af
(wij) leggen af(wij) legden af
(jullie) leggen af(jullie) legden af
(gij) legt af(gij) legdet af
(zij) leggen af(zij) legden af
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) aflegge(dat ik) aflegde
(dat jij) aflegge(dat jij) aflegde
(dat hij) aflegge(dat hij) aflegde
(dat wij) afleggen(dat wij) aflegden
(dat jullie) afleggen(dat jullie) aflegden
(dat gij) aflegget(dat gij) aflegdet
(dat zij) afleggen(dat zij) aflegden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
leg aflegt af
Participios
Participio presenteParticipio pasado
afleggend, afleggende(hebben) afgelegd

Muestras de uso

Daarna zouden we de jeep kunnen achterlaten en de rest van onze speurtocht te voet kunnen afleggen.
Bij het naderen van de kliniek minderde Simon vaart, zette zijn wagen stil en legde het laatste eind te voet af.
De volgende dag legde het leger slechts drie mijlen af.
In de winter moeten wolven ook grotere afstanden afleggen om aan voedsel te komen.

Traducciones

alemándurchgehen; durchqueren; hindurchgehen; durchgehen durch; hindurchgehen durch; führen durch; zurücklegen
danésgennemse
españolatravesar; recorrer
esperantotrairi
francésparcourir; abattre
frisón de Saterlandtruchgunge; oulääse; der truuge gunge
gaélico escocéssiubhail
ingléscover
italianopercorrere
portuguésatravessar; percorrer