Información sobre la palabra breeuwen (neerlandés → Esperanto: stupi)

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈbreːu̯ə(n)/
Separaciónbreeu·wen

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) breeuw(ik) breeuwde
(jij) breeuwt(jij) breeuwde
(hij) breeuwt(hij) breeuwde
(wij) breeuwen(wij) breeuwden
(jullie) breeuwen(jullie) breeuwden
(gij) breeuwt(gij) breeuwdet
(zij) breeuwen(zij) breeuwden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) breeuwe(dat ik) breeuwde
(dat jij) breeuwe(dat jij) breeuwde
(dat hij) breeuwe(dat hij) breeuwde
(dat wij) breeuwen(dat wij) breeuwden
(dat jullie) breeuwen(dat jullie) breeuwden
(dat gij) breeuwet(dat gij) breeuwdet
(dat zij) breeuwen(dat zij) breeuwden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
breeuwbreeuwt
Participios
Participio presenteParticipio pasado
breeuwend, breeuwende(hebben) gebreeuwd

Traducciones

esperantostupi
ingléscalk
portuguésestopar