Información sobre la palabra verbreden (neerlandés → Esperanto: plilarĝigi)

Sinónimos: wijder maken, breder maken, zich verwijden

Categoría gramaticalverbo

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) verbreed(ik) verbreedde
(jij) verbreedt(jij) verbreedde
(hij) verbreedt(hij) verbreedde
(wij) verbreden(wij) verbreedden
(jullie) verbreden(jullie) verbreedden
(gij) verbreedt(gij) verbreeddet
(zij) verbreden(zij) verbreedden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) verbrede(dat ik) verbreedde
(dat jij) verbrede(dat jij) verbreedde
(dat hij) verbrede(dat hij) verbreedde
(dat wij) verbreden(dat wij) verbreedden
(dat jullie) verbreden(dat jullie) verbreedden
(dat gij) verbredet(dat gij) verbreeddet
(dat zij) verbreden(dat zij) verbreedden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
verbreedverbreedt
Participios
Participio presenteParticipio pasado
verbredend, verbredende(hebben) verbreed

Traducciones

alemándehnen
españolensanchar
esperantoplilarĝigi
feroésvíðka; breiðka
frisón occidentalferbreedzje
inglésbroaden; widen