Información sobre la palabra aanbinden (neerlandés → Esperanto: alligi)

Sinónimos: meren, onderbinden, vastbinden, vastleggen, afmeren, aanmeren

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈambɪndə(n)/
Separaciónaan·bin·den

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) bind aan(ik) bond aan
(jij) bindt aan(jij) bond aan
(hij) bindt aan(hij) bond aan
(wij) binden aan(wij) bonden aan
(jullie) binden aan(jullie) bonden aan
(gij) bindt aan(gij) bondt aan
(zij) binden aan(zij) bonden aan
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) aanbinde(dat ik) aanbonde
(dat jij) aanbinde(dat jij) aanbonde
(dat hij) aanbinde(dat hij) aanbonde
(dat wij) aanbinden(dat wij) aanbonden
(dat jullie) aanbinden(dat jullie) aanbonden
(dat gij) aanbindet(dat gij) aanbondet
(dat zij) aanbinden(dat zij) aanbonden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
bind aanbindt aan
Participios
Participio presenteParticipio pasado
aanbindend, aanbindende(hebben) aangebonden

Muestras de uso

Vanaf vrijdag 6 december om 10 uur kan men de schaatsen aanbinden op de volledig overdekte schaatsbaan.

Traducciones

alemánanschließen
esperantoalligi
francésattacher; lier
frisón de Saterlandbefäästigje; fäästmoakje; feronkerje; ansluute; fäästbiende; seelje
inglésfasten; tie; tie on
noruegofortøye