Sinónimos: betreffen, gelden voor, raken, gaan om, draaien om
Conjugación
| Modo indicativo |
|---|
| Presente | Pasado |
|---|
| (hij) gaat aan | (hij) ging aan |
| (zij) gaan aan | (zij) gingen aan |
| Modo subjuntivo |
|---|
| Presente | Pasado |
|---|
| (dat hij) aanga | (dat hij) aanginge |
| (dat zij) aangaan | (dat zij) aangingen |
| Participios |
|---|
| Participio presente | Participio pasado |
|---|
| aangaand, aangaande | (hebben) aangegaan |
Jouw beroep gaat mij tenslotte niets aan.
Om te beginnen was het een zaak die mij niet aanging.
Wat dat aangaat, kan ik u zo hier en daar met goede raad van dienst zijn.
Is dat niet een zaak die u aangaat?