Información sobre la palabra evacueren (neerlandés → Esperanto: evakui)

Sinónimo: ontruimen

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/evakyˈʋeːrə(n)/
Separacióneva·cu·e·ren

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) evacueer(ik) evacueerde
(jij) evacueert(jij) evacueerde
(hij) evacueert(hij) evacueerde
(wij) evacueren(wij) evacueerden
(jullie) evacueren(jullie) evacueerden
(gij) evacueert(gij) evacueerdet
(zij) evacueren(zij) evacueerden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) evacuere(dat ik) evacueerde
(dat jij) evacuere(dat jij) evacueerde
(dat hij) evacuere(dat hij) evacueerde
(dat wij) evacueren(dat wij) evacueerden
(dat jullie) evacueren(dat jullie) evacueerden
(dat gij) evacueret(dat gij) evacueerdet
(dat zij) evacueren(dat zij) evacueerden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
evacueerevacueert
Participios
Participio presenteParticipio pasado
evacuerend, evacuerende(hebben) geëvacueerd

Muestras de uso

Een stadje met 2000 inwoners in de bocht van een stijgende rivier is inmiddels geëvacueerd.
De overheid heeft besloten de regio te evacueren.

Traducciones

alemánevakuieren; räumen; aussiedeln
españolevacuar
esperantoevakui
frisón occidentalevakuearje
inglésevacuate
papiamentoevakuá
portuguésevacuar
rumanoevacua