Información sobre la palabra maken (neerlandés → Esperanto: ellabori)

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈmakə(n)/
Separaciónma·ken

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) maak(ik) maakte
(jij) maakt(jij) maakte
(hij) maakt(hij) maakte
(wij) maken(wij) maakten
(jullie) maken(jullie) maakten
(gij) maakt(gij) maaktet
(zij) maken(zij) maakten
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) make(dat ik) maakte
(dat jij) make(dat jij) maakte
(dat hij) make(dat hij) maakte
(dat wij) maken(dat wij) maakten
(dat jullie) maken(dat jullie) maakten
(dat gij) maket(dat gij) maaktet
(dat zij) maken(dat zij) maakten
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
maakmaakt
Participios
Participio presenteParticipio pasado
makend, makende(hebben) gemaakt

Muestras de uso

Ik had een stoel gemaakt en was op zoek naar een manier om ’m een kleur te geven.

Traducciones

esperantoellabori