Información sobre la palabra oproepen (neerlandés → Esperanto: elvoki)

Sinónimos: veroorzaken, wekken, opwekken

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈɔprupə(n)/
Separaciónop·roe·pen

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) roep op(ik) riep op
(jij) roept op(jij) riep op
(hij) roept op(hij) riep op
(wij) roepen op(wij) riepen op
(jullie) roepen op(jullie) riepen op
(gij) roept op(gij) riept op
(zij) roepen op(zij) riepen op
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) oproepe(dat ik) opriepe
(dat jij) oproepe(dat jij) opriepe
(dat hij) oproepe(dat hij) opriepe
(dat wij) oproepen(dat wij) opriepen
(dat jullie) oproepen(dat jullie) opriepen
(dat gij) oproepet(dat gij) opriepet
(dat zij) oproepen(dat zij) opriepen
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
roep oproept op
Participios
Participio presenteParticipio pasado
oproepend, oproepende(hebben) opgeroepen

Muestras de uso

Het is niet de eerste keer dat de relatie tussen Infantino en Trump vragen oproept.

Traducciones

esperantoelvoki
inglésevoke