Información sobre la palabra aanzien (neerlandés → Esperanto: preni)

Sinónimos: houden, nemen

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈanzin/
Separaciónaan·zien

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) zie aan(ik) zag aan
(jij) ziet aan(jij) zag aan
(hij) ziet aan(hij) zag aan
(wij) zien aan(wij) zagen aan
(jullie) zien aan(jullie) zagen aan
(gij) ziet aan(gij) zaagt aan
(zij) zien aan(zij) zagen aan
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) aanzie(dat ik) aanzage
(dat jij) aanzie(dat jij) aanzage
(dat hij) aanzie(dat hij) aanzage
(dat wij) aanzien(dat wij) aanzagen
(dat jullie) aanzien(dat jullie) aanzagen
(dat gij) aanziet(dat gij) aanzaget
(dat zij) aanzien(dat zij) aanzagen
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
zie aanziet aan
Participios
Participio presenteParticipio pasado
aanziend, aanziende(hebben) aangezien

Muestras de uso

Ik wil niet dat mensen ons voor Amerikanen aanzien.
Ik wil dat je hem heel aandachtig bekijkt, zodat je hem nooit voor een ander zult aanzien.

Traducciones

afrikáansaansien
esperantopreni