Información sobre la palabra leven (neerlandés → Esperanto: vivi)

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/ˈlevə(n)/
Separaciónle·ven

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) leef(ik) leefde
(jij) leeft(jij) leefde
(hij) leeft(hij) leefde
(wij) leven(wij) leefden
(jullie) leven(jullie) leefden
(gij) leeft(gij) leefdet
(zij) leven(zij) leefden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) leve(dat ik) leefde
(dat jij) leve(dat jij) leefde
(dat hij) leve(dat hij) leefde
(dat wij) leven(dat wij) leefden
(dat jullie) leven(dat jullie) leefden
(dat gij) levet(dat gij) leefdet
(dat zij) leven(dat zij) leefden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
leefleeft
Participios
Participio presenteParticipio pasado
levend, levende(hebben) geleefd

Muestras de uso

De Russische leider leeft in een andere werkelijkheid.
Hoe kan iemand in deze duisternis leven?
Hij viel uit de gratie bij het regime en leefde sinds enkele jaren in China.
Bovendien wist Reith niets van de wezens die in de rivier leven.
BIJ12 schat in dat in september vorig jaar ruim honderd wolven in Nederland leefden.

Traducciones

alemánleben
bajo sajónleaven
esperantovivi
francésvivre
ingléslive