Información sobre la palabra spelen (neerlandés → Esperanto: ludi)

Categoría gramaticalverbo
Pronunciación/spelə(n)/
Separaciónspe·len

Conjugación

Modo indicativo
PresentePasado
(ik) speel(ik) speelde
(jij) speelt(jij) speelde
(hij) speelt(hij) speelde
(wij) spelen(wij) speelden
(jullie) spelen(jullie) speelden
(gij) speelt(gij) speeldet
(zij) spelen(zij) speelden
Modo subjuntivo
PresentePasado
(dat ik) spele(dat ik) speelde
(dat jij) spele(dat jij) speelde
(dat hij) spele(dat hij) speelde
(dat wij) spelen(dat wij) speelden
(dat jullie) spelen(dat jullie) speelden
(dat gij) spelet(dat gij) speeldet
(dat zij) spelen(dat zij) speelden
Modo imperativo
Singular/PluralPlural
speelspeelt
Participios
Participio presenteParticipio pasado
spelend, spelende(hebben) gespeeld

Muestras de uso

Wil je iets voor ons spelen?
Waarom speel jij geen ander lied?
Speel eens iets, als ik u verzoeken mag.

Traducciones

afrikáansspeel
criolla jamaiquinaplie
esperantoludi
italianosuonare
rusoиграть