Informatie over het woord zakdoek (Nederlands → Esperanto: naztuko)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/ˈzɑɡduk/
Afbrekingzak·doek
Geslachtmanlijk
Meervoudzakdoeken

Verkleinwoord
EnkelvoudMeervoud
zakdoekjezakdoekjes

Voorbeelden van gebruik

Hij haalde een zakdoek over zijn gezicht en schudde verwonderd zijn hoofd.
Uit zijn broekzak diepte hij een zakdoek op en wreef het regenwater uit zijn nek.
Hij stopte de zakdoek weer in zijn zak.

Vertalingen

Afrikaanssakdoek
Chinook-jargonhikchəm
Deenslommetørklæde
DuitsTaschentuch
Engelshandkerchief
Esperantonaztuko; poŝtuko
Faeröerslummaklútur; lummaturriklæði
Fransmouchoir
Hongaarszsebkendő
Noorslommetørkle
Papiamentslensu
Portugeeslenço
SaterfriesTaaskendouk
Spaanspañuelo de bolsillo
Westerlauwers Friesbûsdoek