Synoniemen: glanzend, lumineus, schitterend, fonkelend
| Woordsoort | bijvoeglijk naamwoord |
|---|
| Uitspraak | /brɪlˈjɑnt/ |
|---|
| Afbreking | bril·jant |
|---|
Trappen van vergelijking
| Stellende trap | briljant |
|---|
| Vergrotende trap | briljanter |
|---|
| Overtreffende trap | briljantst |
|---|
Verbuiging
| | Stellende trap | Vergrotende trap | Overtreffende trap |
|---|
| Predicatief | briljant | briljanter | (het) briljantst, (het) briljantste |
|---|
| Attributief | Onbepaald | Manlijk en vrouwelijk enkelvoud | briljante | briljantere | briljantste |
|---|
| Onzijdig enkelvoud | briljant | briljanter | briljantst |
|---|
| Meervoud | briljante | briljantere | briljantste |
|---|
| Bepaald | briljante | briljantere | briljantste |
|---|
| Partitief | briljants | briljanters | |
|---|
Maar al was het plan van de Muizer ongetwijfeld briljant, er schenen toch ook wel nadelen aan te kleven.
Hij was een briljant geleerde.
Vroeger was ik briljant, vrolijk en rijk, met meer geld dan ik kon gebruiken.
Ze maakt geen fouten, maar briljant is ze niet.