Informatie over het woord sjokken (Nederlands → Esperanto: trenmarŝi)

Synoniem: sloffen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsjɔkə(n)/
Afbrekingsjok·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) sjok(ik) sjokte
(jij) sjokt(jij) sjokte
(hij) sjokt(hij) sjokte
(wij) sjokken(wij) sjokten
(jullie) sjokken(jullie) sjokten
(gij) sjokt(gij) sjoktet
(zij) sjokken(zij) sjokten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) sjokke(dat ik) sjokte
(dat jij) sjokke(dat jij) sjokte
(dat hij) sjokke(dat hij) sjokte
(dat wij) sjokken(dat wij) sjokten
(dat jullie) sjokken(dat jullie) sjokten
(dat gij) sjokket(dat gij) sjoktet
(dat zij) sjokken(dat zij) sjokten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
sjoksjokt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
sjokkend, sjokkende(hebben/zijn) gesjokt

Voorbeelden van gebruik

Zo sprekende klotste hij naar de oever, en zonder op of om te kijken, sjokte hij met soppende tred het pad op dat terug naar huis leidde.
De Cock deed zijn natte regenjas uit, hing hem aan de kapstok en sjokte naar zijn bureau.
Ze sjokten het dorp in.

Vertalingen

Afrikaansaansukkel
Duitsschlurfen
Esperantotrenmarŝi