Informatie over het woord maken (Nederlands → Esperanto: ripari)

Synoniemen: herstellen, repareren, verhelpen, verstellen, fiksen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈmakə(n)/
Afbrekingma·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) maak(ik) maakte
(jij) maakt(jij) maakte
(hij) maakt(hij) maakte
(wij) maken(wij) maakten
(jullie) maken(jullie) maakten
(gij) maakt(gij) maaktet
(zij) maken(zij) maakten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) make(dat ik) maakte
(dat jij) make(dat jij) maakte
(dat hij) make(dat hij) maakte
(dat wij) maken(dat wij) maakten
(dat jullie) maken(dat jullie) maakten
(dat gij) maket(dat gij) maaktet
(dat zij) maken(dat zij) maakten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
maakmaakt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
makend, makende(hebben) gemaakt

Vertalingen

Afrikaansrepareer; herstel
Catalaansarreglar; reparar
Deensreparere
Duitsreparieren
Engelsfix; repair; mend
Engels (Oudengels)hælan
Esperantoripari
Faeröersvæla um; bøta
Fransrefaire; remédier; restaurer; réparer; goupiller
Italiaansriparare; aggiustare
Latijnreparare
Maleismembetulkan
Papiamentsdrecha
Poolsnaprawiać
Portugeesconsertar; reparar; restaurar
Saterfriesreparierje
Schotsmend
Spaansaderezar; arreglar; reparar; restaurar
Tagaloggawín
Thaisแก้
Westerlauwers Friesferhelpe; reparearje; meitsje
Zweedsreparera; rätta