Synoniemen: ten gevolge hebben, tot gevolg hebben, resulteren in, uitmonden in, uitvallen in
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈœʏ̯tʋɛrkə(n)/ |
|---|
| Afbreking | uit·wer·ken |
|---|
Vervoeging
| Aantonende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (ik) werk uit | (ik) werkte uit |
| (jij) werkt uit | (jij) werkte uit |
| (hij) werkt uit | (hij) werkte uit |
| (wij) werken uit | (wij) werkten uit |
| (jullie) werken uit | (jullie) werkten uit |
| (gij) werkt uit | (gij) werktet uit |
| (zij) werken uit | (zij) werkten uit |
| Aanvoegende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (dat ik) uitwerke | (dat ik) uitwerkte |
| (dat jij) uitwerke | (dat jij) uitwerkte |
| (dat hij) uitwerke | (dat hij) uitwerkte |
| (dat wij) uitwerken | (dat wij) uitwerkten |
| (dat jullie) uitwerken | (dat jullie) uitwerkten |
| (dat gij) uitwerket | (dat gij) uitwerktet |
| (dat zij) uitwerken | (dat zij) uitwerkten |
| Gebiedende wijs |
|---|
| Enkelvoud/Meervoud | Meervoud |
|---|
| werk uit | werkt uit |
| Deelwoorden |
|---|
| Tegenwoordig deelwoord | Verleden deelwoord |
|---|
| uitwerkend, uitwerkende | (hebben) uitgewerkt |