Informatie over het woord zinnen (Nederlands → Esperanto: plaĉi)

Synoniemen: aanstaan, behagen, bevallen, believen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈzɪnə(n)/
Afbrekingzin·nen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zin(ik) zon
(jij) zint(jij) zon
(hij) zint(hij) zon
(wij) zinnen(wij) zonnen
(jullie) zinnen(jullie) zonnen
(gij) zint(gij) zont
(zij) zinnen(zij) zonnen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) zinne(dat ik) zonne
(dat jij) zinne(dat jij) zonne
(dat hij) zinne(dat hij) zonne
(dat wij) zinnen(dat wij) zonnen
(dat jullie) zinnen(dat jullie) zonnen
(dat gij) zinnet(dat gij) zonnet
(dat zij) zinnen(dat zij) zonnen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
zinnend, zinnende(hebben) gezonnen

Voorbeelden van gebruik

En ik koos er een dat mij erg zinde maar hem niet.
Het zou me zinnen om op de heuvel een prieel te bouwen.
En dat zinde hem allerminst.
Dat zint me helemaal niet.

Vertalingen

Afrikaansaanstaan
Catalaansagradar; plaure
Deensbehage
Duitsbehagen; belieben; gefallen
Engelsplease; appeal to; be pleasing
Engels (Oudengels)lician
Esperantoplaĉi
Faeröersdáma
Finsmiellyttää
Fransplaire
Italiaanspiacere
Poolspodobać się
Portugeesagradar; aprazer
Saterfriesbeljoowje; gefaale; konvenierje
Spaansagradar; gustar
Tsjechischlíbit se
Westerlauwers Friesnoaskje; sinnigje; befalle
Zweedsbehaga