Synoniemen: donker, duister, obscuriteit, donkerte, duisterheid, deemsterheid, deemster
| Woordsoort | zelfstandig naamwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈdœʏ̯stərnɪs/ |
|---|
| Afbreking | duis·ter·nis |
|---|
| Geslacht | vrouwelijk |
|---|
Ik lag naar de duisternis buiten de grotopening te staren.
Nu bevond hij zich in volkomen duisternis en opnieuw was hij ten prooi aan grote ontzetting.
En in de duisternis begon Flagg, door niemand gezien, te lachen.
„Ja sheriff”, klonk een stem uit de duisternis.
De duisternis heeft mij vannacht parten gespeeld.
Zij was juist afgelopen toen wij bij het invallen van de duisternis het werk moesten staken.
De avond begon te vallen en de duisternis maakte het gaan niet makkelijker.