Informatie over het woord aansteken (Nederlands → Esperanto: lumigi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈanstekə(n)/
Afbrekingaan·ste·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) steek aan(ik) stak aan
(jij) steekt aan(jij) stak aan
(hij) steekt aan(hij) stak aan
(wij) steken aan(wij) staken aan
(jullie) steken aan(jullie) staken aan
(gij) steekt aan(gij) staakt aan
(zij) steken aan(zij) staken aan
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) aansteke(dat ik) aanstake
(dat jij) aansteke(dat jij) aanstake
(dat hij) aansteke(dat hij) aanstake
(dat wij) aansteken(dat wij) aanstaken
(dat jullie) aansteken(dat jullie) aanstaken
(dat gij) aansteket(dat gij) aanstaket
(dat zij) aansteken(dat zij) aanstaken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
steek aansteekt aan
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
aanstekend, aanstekende(hebben) aangestoken

Voorbeelden van gebruik

We moeten dus wel aannemen dat de moordenaar de lamp aangestoken heeft.
Ryn nam een brandend stuk hout uit het vuur en stak de lampen weer aan.

Vertalingen

Deensoplyse
Engelslight
Esperantolumigi; eklumigi
Faeröerslýsa; kasta ljós á; birta ljós
Italiaansaccendere; illuminare
Spaansalumbrar; encender; iluminar
Westerlauwers Friesferljochtsje
Zweedsbelysa