Synoniemen: inviteren, noden, vragen, uitnoden
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈœʏ̯tnodəɣə(n)/ |
|---|
| Afbreking | uit·no·di·gen |
|---|
Vervoeging
| Aantonende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (ik) nodig uit | (ik) nodigde uit |
| (jij) nodigt uit | (jij) nodigde uit |
| (hij) nodigt uit | (hij) nodigde uit |
| (wij) nodigen uit | (wij) nodigden uit |
| (jullie) nodigen uit | (jullie) nodigden uit |
| (gij) nodigt uit | (gij) nodigdet uit |
| (zij) nodigen uit | (zij) nodigden uit |
| Aanvoegende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (dat ik) uitnodige | (dat ik) uitnodigde |
| (dat jij) uitnodige | (dat jij) uitnodigde |
| (dat hij) uitnodige | (dat hij) uitnodigde |
| (dat wij) uitnodigen | (dat wij) uitnodigden |
| (dat jullie) uitnodigen | (dat jullie) uitnodigden |
| (dat gij) uitnodiget | (dat gij) uitnodigdet |
| (dat zij) uitnodigen | (dat zij) uitnodigden |
| Gebiedende wijs |
|---|
| Enkelvoud/Meervoud | Meervoud |
|---|
| nodig uit | nodigt uit |
| Deelwoorden |
|---|
| Tegenwoordig deelwoord | Verleden deelwoord |
|---|
| uitnodigend, uitnodigende | (hebben) uitgenodigd |
En de jonge edelman werd niet uitgenodigd.
Ze is uitgenodigd voor het feest.
Je nodigt de jongens uit, en als ze komen, ben je er niet!
Ik nodig jullie uit voor het eten!
Ik wilde u uitnodigen, bedoel ik.
Tully nodigde hem uit bij hem thuis te komen eten.