Informatie over het woord knielen (Nederlands → Esperanto: genuiĝi)

Synoniem: neerknielen

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈknilə(n)/
Afbrekingknie·len

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) kniel(ik) knielde
(jij) knielt(jij) knielde
(hij) knielt(hij) knielde
(wij) knielen(wij) knielden
(jullie) knielen(jullie) knielden
(gij) knielt(gij) knieldet
(zij) knielen(zij) knielden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) kniele(dat ik) knielde
(dat jij) kniele(dat jij) knielde
(dat hij) kniele(dat hij) knielde
(dat wij) knielen(dat wij) knielden
(dat jullie) knielen(dat jullie) knielden
(dat gij) knielet(dat gij) knieldet
(dat zij) knielen(dat zij) knielden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
knielknielt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
knielend, knielende(hebben) geknield

Voorbeelden van gebruik

Ik kniel nog liever voor een slang!
Hij knielde, stak zijn hand uit en trok een van de brokjes marmer los.
Dokter Durand knielde weer bij het lichaam en onderzocht het opnieuw.
Hij zag Zelata bij de haard knielen.

Vertalingen

Deensknæle
Duitsniederknien; auf die Knie fallen
Engelskneel; kneel down
Esperantogenuiĝi; surgenuiĝi; ekgenui
Franss’agenouiller
Italiaansinginocchiarsi
Spaansarrodillarse