Informatie over het woord posten (Nederlands → Esperanto: afiŝi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈpostə(n)/
Afbrekingpos·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) post(ik) postte
(jij) post(jij) postte
(hij) post(hij) postte
(wij) posten(wij) postten
(jullie) posten(jullie) postten
(gij) post(gij) posttet
(zij) posten(zij) postten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) poste(dat ik) postte
(dat jij) poste(dat jij) postte
(dat hij) poste(dat hij) postte
(dat wij) posten(dat wij) postten
(dat jullie) posten(dat jullie) postten
(dat gij) postet(dat gij) posttet
(dat zij) posten(dat zij) postten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
postpost
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
postend, postende(hebben) gepost

Voorbeelden van gebruik

Hoe vaak heb ik vandaag al een bericht gepost?

Vertalingen

Duitsposten
Engelspost
Esperantoafiŝi