Informatie over het woord oplopen (Nederlands → Esperanto: plialtiĝi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔplopə(n)/
Afbrekingop·lo·pen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) loop op(ik) liep op
(jij) loopt op(jij) liep op
(hij) loopt op(hij) liep op
(wij) lopen op(wij) liepen op
(jullie) lopen op(jullie) liepen op
(gij) loopt op(gij) liept op
(zij) lopen op(zij) liepen op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) oplope(dat ik) opliepe
(dat jij) oplope(dat jij) opliepe
(dat hij) oplope(dat hij) opliepe
(dat wij) oplopen(dat wij) opliepen
(dat jullie) oplopen(dat jullie) opliepen
(dat gij) oplopet(dat gij) opliepet
(dat zij) oplopen(dat zij) opliepen
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
oplopend, oplopende(hebben) opgelopen

Voorbeelden van gebruik

Toen spraken ze nog af dat de commissaris zich met zijn mannen in een bos zou verbergen dat achter de molen tegen de helling opliep.

Vertalingen

Esperantoplialtiĝi