Informatie over het woord knabbelen (Nederlands → Esperanto: mordeti)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈknɑbələ(n)/
Afbrekingknab·be·len

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) knabbel(ik) knabbelde
(jij) knabbelt(jij) knabbelde
(hij) knabbelt(hij) knabbelde
(wij) knabbelen(wij) knabbelden
(jullie) knabbelen(jullie) knabbelden
(gij) knabbelt(gij) knabbeldet
(zij) knabbelen(zij) knabbelden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) knabbele(dat ik) knabbelde
(dat jij) knabbele(dat jij) knabbelde
(dat hij) knabbele(dat hij) knabbelde
(dat wij) knabbelen(dat wij) knabbelden
(dat jullie) knabbelen(dat jullie) knabbelden
(dat gij) knabbelet(dat gij) knabbeldet
(dat zij) knabbelen(dat zij) knabbelden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
knabbelknabbelt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
knabbelend, knabbelende(hebben) geknabbeld

Voorbeelden van gebruik

De vrouw had aarzelend bekend dat verdwaalde kinderen weleens aan het huisje knabbelden.
We zaten allebei aan een stukje geroosterd brood te knabbelen terwijl Asa rustig van haar maaltijd genoot en Madge tegen ons zat te praten.

Vertalingen

Engelsnibble
Esperantomordeti