Informatie over het woord hebben (Nederlands → Esperanto: havi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ɦɛbə(n)/
Afbrekingheb·ben

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) heb(ik) had
(jij) hebt(jij) had
(hij) hebt(hij) had
(wij) hebben(wij) hadden
(jullie) hebben(jullie) hadden
(gij) hebt(gij) hadt
(zij) hebben(zij) hadden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) hebbe(dat ik) hadde
(dat jij) hebbe(dat jij) hadde
(dat hij) hebbe(dat hij) hadde
(dat wij) hebben(dat wij) hadden
(dat jullie) hebben(dat jullie) hadden
(dat gij) hebbet(dat gij) haddet
(dat zij) hebben(dat zij) hadden
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
hebbend, hebbende(hebben) gehad

Voorbeelden van gebruik

Ze had een ring aan haar middelvinger, met een diep ingegrifte edelsteen.
Opa heeft ook een warme jas aangetrokken en hij heeft een pet op zijn hoofd.
De dader droeg een trainingspak, petje, lichte schoenen en had een sjaal om zijn hoofd.
Negen van de tien kinderen hadden geen schoenen aan hun voeten en speelden dus met blote voetjes in de gevaarlijke rommel.

Vertalingen

Engelshave
Esperantohavi
Italiaansavere
Schotshae