Informatie over het woord echtgenote (Nederlands → Esperanto: edzino)

Synoniemen: gemalin, vrouw, wijf

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/ˈɛx(t)xənotə/
Afbrekingecht·ge·no·te
Geslachtvrouwelijk
Meervoudechtgenoten

Voorbeelden van gebruik

Dat mannen hun echtgenote mogen mishandelen in Afghanistan is al langer bekend, maar het is volgens mensenrechtenorganisaties voor het eerst sinds 2021 dat de regels zo duidelijk zijn vastgelegd.
Mijn echtgenote is op tijd.
Hoort er ook een echtgenote bij die periode van overmoed, met een hele rij zonen en dochters?
Ze troosten zichzelf met de gedachte dat Máxima, zijn Argentijnse echtgenote en onze toekomstige koningin, verstandig genoeg is om bij te springen als dat nodig is.
De 22‐jarige echtgenote van de man is donderdag op vrije voeten gesteld.

Vertalingen

Afrikaansvrou; eggenote
Albaneesgrua
Catalaansdona; esposa; muller
Deensægtefælle; hustru; kone
DuitsFrau; Gemahlin; Gattin; Ehefrau
Engelswife; spouse
Engels (Oudengels)wif
Esperantoedzino
Faeröerskona; ektakona
Fransfemme; épouse
Grieksσύζυγος; γυναίκα
Hawaiaanswahine
Hongaarsfeleség
IJslandskona; eiginkona
Italiaansmoglie
Jamaicaans Creoolswaif
Jiddischװײַב; פֿרױ
Latijnuxor; mulier; femina
LuxemburgsFra
Maleisisteri; istri
Noorsektefelle; kone; hustru
Oekraïensдружина; жінка
Papiamentsesposa; señora
Poolsżona
Portugeesesposa; mulher
Roemeenssoție
Russischжена; супруга
SaterfriesMoanske
Schotswife; guidwife
Schots-Gaelischbean; bean phòsta
Spaansesposa; mujer
Srananwefi; frow
Swahilimke
Thaisภรรยา; เมีย
Tsjechischmanželka; žena
Turksavrat; eş; karı
Westerlauwers Friesfrou; wiif
Zweedshustru; maka; äkta maka; fru