Informatie over het woord feesten (Nederlands → Esperanto: festi)

Synoniemen: fuiven, vieren, feestvieren, feest vieren

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈfestə(n)/
Afbrekingfees·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) feest(ik) feestte
(jij) feest(jij) feestte
(hij) feest(hij) feestte
(wij) feesten(wij) feestten
(jullie) feesten(jullie) feestten
(gij) feest(gij) feesttet
(zij) feesten(zij) feestten
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) feeste(dat ik) feestte
(dat jij) feeste(dat jij) feestte
(dat hij) feeste(dat hij) feestte
(dat wij) feesten(dat wij) feestten
(dat jullie) feesten(dat jullie) feestten
(dat gij) feestet(dat gij) feesttet
(dat zij) feesten(dat zij) feestten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
feestfeest
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
feestend, feestende(hebben) gefeest

Voorbeelden van gebruik

De afgelopen anderhalf jaar hebben Russen veel gefeest en geleefd alsof de oorlog niet bestond.
Ook is Trump op beelden feestend met Epstein te zien.
Gezien de beelden van feestende Iraniërs na de dood van Xāmene’i lijkt zo’n opstand een reële mogelijkheid, al zaaide het regime begin dit jaar veel angst door het bloedig neerslaan van de protesten.

Vertalingen

Albaneesfestoj
Catalaanscelebrar; fer festa; festivar
Deensfejre; feste
Duitsfeiern; begehen
Engelscelebrate
Esperantofesti
Faeröershalda; hátíðarhalda
Finsjuhlia
Fransfêter
IJslandsskemmta sér
Noorsfeste
Papiamentsfiesta
Portugeescelebrar; festejar
Roemeenssărbători
Saterfriesfierje
Spaanscelebrar una fiesta
Westerlauwers Friesfeestje
Zweedsfesta; ha fest; kalasa