Informatie over het woord afzetten (Nederlands → Esperanto: bari)

Synoniemen: afdammen, afsluiten, belemmeren, stuwen, versperren

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ɑfsɛtə(n)/
Afbrekingaf·zet·ten

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) zet af(ik) zette af
(jij) zet af(jij) zette af
(hij) zet af(hij) zette af
(wij) zetten af(wij) zetten af
(jullie) zetten af(jullie) zetten af
(gij) zet af(gij) zettet af
(zij) zetten af(zij) zetten af
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) afzette(dat ik) afzette
(dat jij) afzette(dat jij) afzette
(dat hij) afzette(dat hij) afzette
(dat wij) afzetten(dat wij) afzetten
(dat jullie) afzetten(dat jullie) afzetten
(dat gij) afzettet(dat gij) afzettet
(dat zij) afzetten(dat zij) afzetten
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
zet afzet af
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
afzettend, afzettende(hebben) afgezet

Voorbeelden van gebruik

Gingen ze de weg afzetten?
De politie heeft in Alphen aan den Rijn een straat afgezet omdat een dijk dreigt door te breken.

Vertalingen

Afrikaansversper; afsper
Catalaansbarrar; obstruir
Duitshindern; sperren; versperren; absperren
Engelsblock
Esperantobari
Faeröersforða; steingja
Fransbarrer
Italiaanssbarrare
Portugeesbarrar; interceptar; tapar; trancar
Russischзаграждать
Saterfrieshinderje; ferweere; speere; ferspeere
Spaansinterceptar; privar el paso
Westerlauwers Friesôfslute