Informatie over het woord virus (Nederlands → Esperanto: viruso)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/ˈviːrəs/, /ˈviːrɵs/
Afbrekingvi·rus
Geslachtonzijdig
Meervoudvirussen

Voorbeelden van gebruik

De meeste mensen liepen het virus dit jaar op in Indonesië, Thailand en Curaçao.
De arts behandelde patiënten die met het dodelijke virus waren besmet.
Virussen zijn te klein om door een gewone microscoop gezien te kunnen worden.

Vertalingen

Afrikaansvirus
DuitsVirus
Engelsvirus
Esperantoviruso
Fransvirus
Italiaansvirus
Nederduitsvirus
Papiamentsvirus
Portugeesvírus
Spaansvirus