Informatie over het woord viool (Nederlands → Esperanto: violono)

Woordsoortzelfstandig naamwoord
Uitspraak/viˈjol/
Afbrekingvi·ool
Geslachthistorisch vrouwelijk, tegenwoordig ook manlijk
Meervoudviolen

Voorbeelden van gebruik

Volgens haar eigen zeggen verdiende ze met de viool het zout in de pap niet.
Je kunt net zo goed proberen een paard viool te leren spelen.

Vertalingen

Afrikaansviool
Catalaansvioli
Chinook-jargonfitəl
Deensviolin
DuitsFiedel; Geige; Violine
Engelsviolin
Esperantoviolono
Faeröersfiól
Finsviulu
Fransviolon
Hongaarshegedű
Noorsfiolin
Papiamentsfió
Poolsskrzypce
Portugeesrabeca; violino
SaterfriesFjoole
Spaansviolín
Srananfinyoro
Tagalogbiyolín
Tsjechischhousle
Turkskeman
Westerlauwers Friesfioele
Zweedsviolin