Synoniemen: afdoen, afleggen, afzetten, uitdoen, uitkrijgen
| Woordsoort | werkwoord |
|---|
| Uitspraak | /ˈœʏ̯trɛkə(n)/ |
|---|
| Afbreking | uit·trek·ken |
|---|
Vervoeging
| Aantonende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (ik) trek uit | (ik) trok uit |
| (jij) trekt uit | (jij) trok uit |
| (hij) trekt uit | (hij) trok uit |
| (wij) trekken uit | (wij) trokken uit |
| (jullie) trekken uit | (jullie) trokken uit |
| (gij) trekt uit | (gij) trokt uit |
| (zij) trekken uit | (zij) trokken uit |
| Aanvoegende wijs |
|---|
| Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|
| (dat ik) uittrekke | (dat ik) uittrokke |
| (dat jij) uittrekke | (dat jij) uittrokke |
| (dat hij) uittrekke | (dat hij) uittrokke |
| (dat wij) uittrekken | (dat wij) uittrokken |
| (dat jullie) uittrekken | (dat jullie) uittrokken |
| (dat gij) uittrekket | (dat gij) uittrokket |
| (dat zij) uittrekken | (dat zij) uittrokken |
| Gebiedende wijs |
|---|
| Enkelvoud/Meervoud | Meervoud |
|---|
| trek uit | trekt uit |
| Deelwoorden |
|---|
| Tegenwoordig deelwoord | Verleden deelwoord |
|---|
| uittrekkend, uittrekkende | (hebben) uitgetrokken |
Daarop trok Dini al haar kleren uit en stopte haar hand tussen haar benen.
Je zult me moeten helpen om deze laarzen uit te trekken.
Hij trok zijn jas uit en legde die over een stoel.