Informatie over het woord opstrijken (Nederlands → Esperanto: enpoŝigi)

Synoniem: in zijn zak steken

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈɔpstrɛɪ̯kə(n)/
Afbrekingop·strij·ken

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) strijk op(ik) streek op
(jij) strijkt op(jij) streek op
(hij) strijkt op(hij) streek op
(wij) strijken op(wij) streken op
(jullie) strijken op(jullie) streken op
(gij) strijkt op(gij) streekt op
(zij) strijken op(zij) streken op
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) opstrijke(dat ik) opstreke
(dat jij) opstrijke(dat jij) opstreke
(dat hij) opstrijke(dat hij) opstreke
(dat wij) opstrijken(dat wij) opstreken
(dat jullie) opstrijken(dat jullie) opstreken
(dat gij) opstrijket(dat gij) opstreket
(dat zij) opstrijken(dat zij) opstreken
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
strijk opstrijkt op
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
opstrijkend, opstrijkende(hebben) opgestreken

Voorbeelden van gebruik

Alles wat je te doen hebt, is je opdrachten uit te voeren en je geld op te strijken.
Onderdanig streek Hofmann het geld op en verdween, vergenoegd omdat zijn dochter was uitverkoren om met de zoon van een welgesteld man naar een bal te gaan.
Moeten wij dan gevaar lopen, terwijl hij de winst opstrijkt?
„Zorgt dinsdagmorgen om zeven uur aan boord te zijn”, zei Bjarne nadat hij een flink aantal daalders had opgestreken.

Vertalingen

Engelspocket
Esperantoenpoŝigi