Informatie over het woord schenden (Nederlands → Esperanto: malrespekti)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈsxɛndə(n)/
Afbrekingschen·den

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) schend(ik) schond
(jij) schendt(jij) schond
(hij) schendt(hij) schond
(wij) schenden(wij) schonden
(jullie) schenden(jullie) schonden
(gij) schendt(gij) schondt
(zij) schenden(zij) schonden
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) schende(dat ik) schonde
(dat jij) schende(dat jij) schonde
(dat hij) schende(dat hij) schonde
(dat wij) schenden(dat wij) schonden
(dat jullie) schenden(dat jullie) schonden
(dat gij) schendet(dat gij) schondet
(dat zij) schenden(dat zij) schonden
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
schendschendt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
schendend, schendende(hebben) geschonden

Voorbeelden van gebruik

Als hij gelijk had dan was dit de stam die nog niet lang geleden het gebied van Hagedorn had geschonden en door O.Z. Garr was verjaagd.

Vertalingen

Engelsviolate
Esperantomalrespekti