Informatie over het woord slapen (Nederlands → Esperanto: dormi)

Woordsoortwerkwoord
Uitspraak/ˈslapə(n)/
Afbrekingsla·pen

Vervoeging

Aantonende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(ik) slaap(ik) sliep
(jij) slaapt(jij) sliep
(hij) slaapt(hij) sliep
(wij) slapen(wij) sliepen
(jullie) slapen(jullie) sliepen
(gij) slaapt(gij) sliept
(zij) slapen(zij) sliepen
Aanvoegende wijs
Tegenwoordige tijdVerleden tijd
(dat ik) slape(dat ik) sliepe
(dat jij) slape(dat jij) sliepe
(dat hij) slape(dat hij) sliepe
(dat wij) slapen(dat wij) sliepen
(dat jullie) slapen(dat jullie) sliepen
(dat gij) slapet(dat gij) sliepet
(dat zij) slapen(dat zij) sliepen
Gebiedende wijs
Enkelvoud/MeervoudMeervoud
slaapslaapt
Deelwoorden
Tegenwoordig deelwoordVerleden deelwoord
slapend, slapende(hebben) geslapen

Voorbeelden van gebruik

Op het Oostrussische schiereiland Kamčatka is een vulkaan uitgebarsten die al eeuwen een slapend bestaan leidde.

Vertalingen

Engelssleep
Esperantodormi
Welscysgu