Synoniemen: tapperij, herberg, kroeg, taveerne, café
| Woordsoort | zelfstandig naamwoord |
|---|
| Uitspraak | /bɑr/ |
|---|
| Afbreking | bar |
|---|
| Geslacht | manlijk of vrouwelijk |
|---|
| Meervoud | bars |
|---|
| Verkleinwoord |
|---|
| Enkelvoud | Meervoud |
|---|
| barretje | barretjes |
Harvey Stanwood hield een opgevouwen krant in z’n hand toen hij Eva Raymond onderzoekend aankeek over het kleine tafeltje in de bar.
Dit weekend werden er zeker zeven mensen doodgeschoten in een bar in een wijk van Bujumbura waar veel aanhangers van de oppositie wonen.
Ik ga in de bar een biertje drinken.