Ynformaasje oer it wurd deren (Nederlânsk → Esperanto: malutili)

Synonimen: benadelen, schaden, afbreuk doen aan, laederen

Wurdsoartetiidwurd
Utspraak/ˈdeːrə(n)/
Ofbrekingde·ren

Ferfoarming

Oantoanende foarm
NotiidDoetiid
(ik) deer(ik) deerde
(jij) deert(jij) deerde
(hij) deert(hij) deerde
(wij) deren(wij) deerden
(jullie) deren(jullie) deerden
(gij) deert(gij) deerdet
(zij) deren(zij) deerden
Oanfoegjende foarm
NotiidDoetiid
(dat ik) dere(dat ik) deerde
(dat jij) dere(dat jij) deerde
(dat hij) dere(dat hij) deerde
(dat wij) deren(dat wij) deerden
(dat jullie) deren(dat jullie) deerden
(dat gij) deret(dat gij) deerdet
(dat zij) deren(dat zij) deerden
hjittende foarm
Iental/MeartalMeartal
deerdeert
Mulwurden
NomulwurdDoemulwurd
derend, derende(hebben) gedeerd

Foarbylden fan gebrûk

Honger noch kou kon hem deren.
Sabriël zette haar voet op het pad en daalde erlangs af terwijl het water zich aan weerskanten in de diepte stortte, zonder haar te deren.
Doch dit deerde de uitgever niet.
Maar wat deert het ons?
Op dezelfde voet doorgaan met vechten eist een hoge, bloedige tol, maar dat lijkt Putin niet te deren.
Als de burgers maar voelden dat alles bij het oude bleef, al was er iets gruwelijks gebeurd, dan deerde het Peyna niet hoeveel bloemenmeisjes splinters opliepen.

Oarsettingen

Afrikaanskknou
Dútskbeeinträchtigen
Esperantomalutili
Frânsknuire
Ingelskharm
Italjaansknuocere
Portegeeskdanificar; prejudicar
Sealterfryskskoadje
Spaanskperjudicar