Ynformaasje oer it wurd uitspreken (Nederlânsk → Esperanto: esprimi)

Synonimen: betuigen, uitdrukken, uiten, verwoorden, uiting geven aan

Wurdsoartetiidwurd
Utspraak/ˈœʏ̯sprekə(n)/
Ofbrekinguit·spre·ken

Ferfoarming

Oantoanende foarm
NotiidDoetiid
(ik) spreek uit(ik) sprak uit
(jij) spreekt uit(jij) sprak uit
(hij) spreekt uit(hij) sprak uit
(wij) spreken uit(wij) spraken uit
(jullie) spreken uit(jullie) spraken uit
(gij) spreekt uit(gij) spraakt uit
(zij) spreken uit(zij) spraken uit
Oanfoegjende foarm
NotiidDoetiid
(dat ik) uitspreke(dat ik) uitsprake
(dat jij) uitspreke(dat jij) uitsprake
(dat hij) uitspreke(dat hij) uitsprake
(dat wij) uitspreken(dat wij) uitspraken
(dat jullie) uitspreken(dat jullie) uitspraken
(dat gij) uitspreket(dat gij) uitspraket
(dat zij) uitspreken(dat zij) uitspraken
hjittende foarm
Iental/MeartalMeartal
spreek uitspreekt uit
Mulwurden
NomulwurdDoemulwurd
uitsprekend, uitsprekende(hebben) uitgesproken

Foarbylden fan gebrûk

Het Kremlin heeft zijn steun uitgesproken voor de benoeming van Mojtabā Xāmene’i als nieuwe opperste leider van Iran.

Oarsettingen

Dútskausdrücken; zum Ausdruck bringen
Esperantoesprimi
Fereuerskorða; siga
Finskilmaista
Frânskexprimer; représenter
Ingelskexpress
Italjaanskesprimere
Katalaanskexpressar
Papiamintskekspresá
Poalskwyrazić; wyrażać
Portegeeskexpressar; exprimir
Russyskвыражать
Sealterfryskuutdrukke
Spaanskenunciar; expresar
Sweedskuttrycka
Taiskแสดง
Tsjechyskvyjádřit; vyslovit