Ynformaasje oer it wurd eindigen (Nederlânsk → Esperanto: fini)

Synonimen: afmaken, afsluiten, beëindigen, besluiten, uitmaken, voleindigen, een eind maken aan, klaar zijn met, er een punt achter zetten

Wurdsoartetiidwurd
Utspraak/ˈɛɪ̯ndəɣə(n)/
Ofbrekingein·di·gen

Ferfoarming

Oantoanende foarm
NotiidDoetiid
(ik) eindig(ik) eindigde
(jij) eindigt(jij) eindigde
(hij) eindigt(hij) eindigde
(wij) eindigen(wij) eindigden
(jullie) eindigen(jullie) eindigden
(gij) eindigt(gij) eindigdet
(zij) eindigen(zij) eindigden
Oanfoegjende foarm
NotiidDoetiid
(dat ik) eindige(dat ik) eindigde
(dat jij) eindige(dat jij) eindigde
(dat hij) eindige(dat hij) eindigde
(dat wij) eindigen(dat wij) eindigden
(dat jullie) eindigen(dat jullie) eindigden
(dat gij) eindiget(dat gij) eindigdet
(dat zij) eindigen(dat zij) eindigden
hjittende foarm
Iental/MeartalMeartal
eindigeindigt
Mulwurden
NomulwurdDoemulwurd
eindigend, eindigende(hebben) geëindigd

Foarbylden fan gebrûk

En het geschiedde, toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij uit Galilea vertrok, en hij kwam over de Jordaan in het gebied van Judea.
Volgens de Amerikaanse president was het duidelijk dat Moskou er niet op uit is om de oorlog binnenkort te eindigen.

Oarsettingen

Afrikaanskbeëindig
Deenskfuldende
Dútskbeschließen; enden; beenden; endigen; beendigen; erledigen; vollenden; abschließen; schließen; einstellen
Esperantofini
Fereuerskenda
Finsklopetta
Frânskcesser; finir; terminer
Fryskbesljochtsje; dien meitsje; ôfmeitsje; klear wêze mei
Ingelskend; finish; terminate
Italjaanskfinire; terminare
Katalaanskacabar; finir; terminar
Papiamintskfinalisá; kaba; terminá
Poalskkończyć
Portegeeskacabar; encerrar; finalizar; terminar
Roemeensktermina
Sealterfryskbesluute; eendje; be‐eendje; eendigje; oumoakje
Spaanskacabar; terminar
Sweedskfullborda; ända
Taiskจบ; เสร็จ
Turkskbitirmek