Synonyms: dol, dolzinnig, gek, stapel, uitzinnig, waanzinnig, bezeten, zot, krankjorum, mesjogge
| Part of speech | adjective |
|---|
| Pronunciation | /krɑŋkˈsɪnəx/ |
|---|
| Hyphenation | krank·zin·nig |
|---|
Ik word krankzinnig van dit jachtige leven.
Ik dacht een ogenblik dat hij krankzinnig geworden was.
Het verwondert me niks dat mensen die in de woestijn verdwaald zijn, krankzinnig worden.
Maar dat is krankzinnig!
Pyotr Rorsefne was krankzinnig toen hij het testament maakte.
Kunt u zich iets krankzinnigers of verradelijkers voorstellen?